Logo Kamerkoor Vocoza

Bach geeft smaak aan Grauns risicoloos passie-pasteitjea

Sponsor: RMA - recording media

door Franz Straatman en Rob van der Hilst

AMSTERDAM - Er heerste bij het publiek een sfeer alsof er een liederenrecital ging plaatsvinden, vrijdagavond in de kleine zaal van het Amsterdams Concertgebouw. Maar niet ‘Die Schöne Müllerin’ werd door een ‘wanderende’ jongeman bezongen, maar het lijden van Christus volgens Johannes en getoonzet door J. S. Bach werd vertolkt. Daarom ging ik er luisteren, want een Bachpassie in de kleine zaal had ik nog niet eerder aangekondigd gezien.

Ook al kan ik mij van harte verenigen met de kamermuzikale aanpak die de nieuwere uitvoeringspraktijk van barokcomposities voorstaat, met deze comprimering door het ambitieuze kamerkoor Vocoza onder leiding van Frank Hameleers had ik toch enige moeite. Zelfs de piepkleine instrumentale bezetting met drie eerste, twee tweede violen, twee alten en de rest enkelvoudig, was te veel voor de kleine zaal. En dan nog een koor van twintig personen, plus vier solisten, en Christus en evangelist, dat was letterlijk dringen op het podium en figuurlijk in de akoestiek. De totale indruk was die van een passie-in blik. Vocoza moet met een op barok geënte voordrachtspraktijk ook de akoestisch passende ruimte opzoeken, want zo leken mij de inspanningen van de voortreffelijke medewerkenden verspilde moeite.

Onbekende Graun
Het Utrechts Barok Consort bood in de afgelopen week kennismaking met de passie-pastiche: ‘Wer ist, der zo von Edom kömmt’ Carl-Heinrich Graun. Een onbekend wnk, want het UBC en zijn dirigent Jos van Veldhoven moesten de partituur en de orkestpartijen zelf uitschrijven van het origineel.

Ongeveer op de helft van het werk klonk opeens muziek van Bach, Johann Sebastian, en wel het openingskoor van diens Cantate 'Herr Jesu Christ, wahr Mensch und Gott’ (BWV 127) en een recitatief voor basstem en lage strijkinstnumenten van onbekende herkomst.

Net op tijd overigens, want Grauns eigen bijdrage aan dit laat-18de eeuwse 'passie-pasteitje' was tot dan toe ronduit slaapverwekkend: Pas met Bach werd het heel spannend. Graun vervlocht ook handig muziek van Bachs voorganger in Leipzig, Johann Kuhnau en van ziin schoonzoon Altnickol, geheel naar de mode van de achttiende eeuw waarin het toegestaan was om her en der te plukken en te pronken met andermans veren.

Grauns eigen muziek klonk fraai, maar tevens risicoloos. Harde dissonanten zoals in Bachs passie-compositie veelvuldig klonken, ontbraken ten ene male. Zelfs in de koralen. En van echt dramatische uitwerking van het lijdensthema was – op een enkele uitzondering na – geen sprake. Jammer was het dat de Engelse tenor Joseph Cornwell weinig declamatorisch te werk ging met deze muziek en het wat zijn interpretatie betreft voornamelijk in lange legatobogen zocht. Daardoor contrasteende zijn bijdrage scherp tot de dramatische 'schwung' die bas Harry van der Kamp aan ziin partij gaf, en aan de bijzonder mooie, warm-helder klin. kende stem van de Duitse sopraan Maria Zedelius

Op radio

Passie-kalender

Trouw, 7 april 1987