Logo Kamerkoor Vocoza Transcripties
Sponsor: RMA - recording media

Teksten en vertalingenTranscripties

Deze teksten en vertalingen staan ook in het programmaboekje, dat ook op papier bij het concert beschikbaar is.


Agnus Dei

Samuel Barber (1910-1981)

Agnus Dei, qui tollis
peccata mundi
miserere nobis.
Dona nobis pacem.

Lam Gods, dat wegneemt
de zonden der wereld,
ontferm U over ons.
Geef ons vrede.


Winter

Antonio Vivaldi (1678-1741); uit De Vier Jaargetijden

I. Requiem
Requiem aeternam dona eis, Domine:
et lux perpetua luceat eis.

II. Benedictus
Benedictus qui venit in nomine Domini.

III. Lux aeterna
Lux aeterna luceat eis Domine:
Cum sanctis tuis in aeternum
quia pius es.
Requiem aeternam dona eis Domine,
et lux perpetua luceat eis.

Benedictus qui venit in nomine Domini.

Cum sanctis tuis in aeternum
quia pius es.

 


Geef hun de eeuwige rust, Heer,
en het eeuwige licht verlichte hen.

Gezegend die komt in de naam des Heren.

 

Moge eeuwig licht op hen schijnen, o Heer:
voor eeuwig en altijd in het gezelschap van uw heiligen:
want Gij zijt genadig.
Geef hun de eeuwige rust, Heer,
en het eeuwige licht verlichte hen.

Gezegend die komt in de naam des Heren.

Voor eeuwig en altijd in het gezelschap van uw heiligen
omdat Gij genadig zijt.


Les angélus

Het angelus

Claude Debussy (1862-1918)

Cloches chrétiennes pour les matines,
Sonnant au coeur d'espérer encore!
Angélus angélisés d'aurore!
Las! Où sont vos prières câlines?

Vous étiez de si douce folies!
Et chanterelles d'amours prochaines!
Aujourd'hui souveraine est ma peine.
Et toutes matines abolies.

Je ne vis plus que d'ombre et de soir;
Les las angélus pleurent la mort,
Et là, dans mon coeur résigné, dort
La seule veuve de tout espoir.

Text: Grégoire Le Roy

Christelijke klokken voor de metten,
Kleppend voor het hart om weer te hopen!
Angelus engelgemaakt door de dageraad!
Helaas! Waar zijn uw vleiende gebeden?

U was van zo zoete zotheid!
En hoge tonen van aanstaande liefdes!
Vandaag overheerst mijn smart.
En alle metten zijn teniet gedaan.

Ik leef slechts in de schaduw en de avond;
De matte angelus betreuren de dood.
En daar, in mijn berustend hart, slaapt
De eenzame weduwe van alle hoop.

Vertaling: Nico Witteman

noot: de metten zijn het eerste ochtendgebed, het angelus is een devotiegebed dat driemaal daags gebeden wordt: om 6 uur, 12 uur en 18 uur.


Soupir

Zucht

Maurice Ravel (1875-1937)

Mon âme vers ton front où rêve, ô calme soeur,
Un automne jonché de taches de rousseur,
Et vers le ciel errant de ton oeil angélique,
Monte, comme dans un jardin mélancolique,
Fidèle, un blanc jet d'eau soupire vers l'azur!

Vers l'azur attendri d'octobre pâle et pur
Qui mire aux grands bassins sa langueur infinie
Et laisse, sur l'eau morte où la fauve agonie
Des feuilles erre au vent et creuse un froid sillon,
Se trainer le soleil jaune d'un long rayon.

Texte: Stéphane Mallarmé

Mijn ziel stijgt op naar jouw voorhoofd, stille zuster,
Waar een herfst droomt bezaaid met sproeten,
En naar de dolende hemel van jouw engelachtige oog.
Rijs op, zoals in een zwartgallige tuin,
Getrouwe, een blanke waterstraal naar het azuur zucht!

Naar het verweekte hemelsblauw van een bleek en puur oktober
Die in grote vijvers zijn oneindige smachtende verlangen tegen het licht houdt
En laat, op het dode water waar de vaalrode doodsstrijd
Van de bladeren doolt in de wind en een koude vore trekt,
De gele zon zich voortslepen in een lange straal.

Vertaling: Nico Witteman


Après un rêve

Na een droom

Gabriel Fauré (1845-1924), Op. 7, No. 1

Dans un sommeil que charmait ton image
Je rêvais le bonheur, ardent mirage,
Tes yeux étaient plus doux, ta voix pure et sonore,
Tu rayonnais comme un ciel éclairé par l'aurore;

Tu m'appelais et je quittais la terre
Pour m'enfuir avec toi vers la lumière,
Les cieux pour nous entrouvraient leurs nues,
Splendeurs inconnues, lueurs divines entrevues,

Hélas! Hélas! triste réveil des songes
Je t'appelle, ô nuit, rends moi tes mensonges,
Reviens, reviens radieuse,
Reviens ô nuit mystérieuse!

Na een droom
In een slaap die jouw beeld betoverde
Droomde ik van het geluk, een vurige luchtspiegeling,
Jouw ogen waren tederder, je stem puur en sonoor,
Jij straalde als een hemel verlicht door de dageraad;

Je riep me en ik kwam los van de aarde
Om er met jou vandoor te gaan naar het licht,
De hemelen zetten hun wolken voor ons op een kier,
Ongekende prachten, glimpen van goddelijke gloed,

Helaas! Helaas! Treurig ontwaken vanuit de dromen,
Ik roep jou, nacht, geef mij je leugens terug,
Keer terug, keer stralend terug,
Keer terug, o mysterieuze nacht!

Vertaling: Nico Witteman


Grablied

Graflied

Franz Schubert (1797-1828) & Peter Cornelius (1824-1874); uit: Strijkkwartet in d, D810 "Der Tod und das Mädchen

Pilger Auf Erden, so raste am Ziele,
Hier labe dich Frieden nach langer Fährt.
Was auch dein Herzweh,
Was auch dein Leid war,
Heilenden Balsam gab dir der Tod.
Pilger auf Erden, vom Wandern ermattet,
Nun ruhe im Schoße der Erde aus.

Pilger auf Sternen, unsterbliche Seele,
Du schwebst zum Himmel auf gold'nem Pfad.
Badest im Glanzmeer göttlicher Klarheit,
Nur, was dem staub war, gabst du dem Staub,
Pilger auf Sternen, die Träne der Sehnsucht
Geleite zur ewigen Heimat dich.

Pelgrim op aarde, rust op je reisdoel,
Doe je tegoed aan vrede na de lange tocht.
Wat ook je hartzeer,
Wat ook je pijn was,
De dood schonk je helende balsem.
Pelgrim op aarde, van het zwerven vermoeid,
Rust nu uit in de schoot der aarde.

Pelgrim in de sterren, onsterfelijke ziel,
Jij zweeft naar de hemel over een gouden pad.
Jij baadt in de glanzende zee van goddelijke klaarheid,
Slechts wat voor het stof was, gaf je het stof,
Pelgrim in de sterren, moge de traan van het verlangen
Je naar je eeuwige thuis voeren.

Vertaling: Nico Witteman


Im Treibhaus

In de broeikas

Richard Wagner (1813-1883), arr. Clytus Gottwald (1925-)

Hochgewölbte Blätterkronen,
Baldachine von Smaragd,
Kinder ihr aus fernen Zonen,
Saget mir, warum ihr klagt?
Schweigend neiget ihr die Zweige,
Malet Zeichen in die Luft,
Und der Leiden stummer Zeuge
Steiget aufwärts, süßer Duft.
Weit in sehnendem Verlangen
Breitet ihr die Arme aus,
Und umschlinget wahnbefangen
Öder Leere nicht'gen Graus.
Wohl, ich weiß es, arme Pflanze;
Ein Geschicke teilen wir,
Ob umstrahlt von Licht und Glanze,
Unsre Heimat ist nicht hier!
Und wie froh die Sonne scheidet
Von des Tages leerem Schein,
Hüllet der, der wahrhaft leidet,
Sich in Schweigens Dunkel ein.
Stille wird's, ein säuselnd Weben
Füllet bang den dunklen Raum:
Schwere Tropfen seh ich schweben
An der Blätter grünem Saum.

Tekst: Mathilde Wesendonck (1828-1902)


Hooggewelfde bladerkronen,
Baldakijnen van smaragd,
Gij kinderen uit verre streken,
Zeg mij, waarom u klaagt?
Zwijgend nijgt gij uw twijgen,
Schildert tekens in de lucht,
En stille getuige van uw lijden
Stijgt omhoog, zoete geur.
Wijd in smachtend verlangen
Strekt gij uw armen uit,
En gij omhelst door waan bevangen
De nietige verschrikking van verlaten leegte
Wel, ik weet het, arme planten;
Wij delen een noodlot,
Ofschoon door licht en glans omstraald,
Ons thuis is niet hier!
En hoe vrolijk de zon afscheid neemt
Van de lege schijn van de dag,
Hult hij, die waarachtig lijdt,
Zich in het duister van het zwijgen.
Het wordt stil, een suizelend weven
Vult angstig de donkere ruimte:
Zware druppels zie ik zweven
Aan de groene zoom van de bladeren.

Vertaling: Nico Witteman


Kanon in "D"

Johann Pachelbel (1653-1706), arr. Alexander L'Estrange (1974-)

 

 

Il barbiere di Siviglia (Ouverture)

Gioachino Rossini (1792-1868)