Logo Kamerkoor Vocoza Hollands Requiem

Toelichting

  • U hoort Een Hollands Requiem, de door Jan Rot in het Nederlands hertaalde versie uit 2007 van Ein deutsches Requiem (opus 45 uit 1868) van Johannes Brahms (1833-1897). We voeren de versie voor piano à quatre mains uit. Voorafgaand daaraan speelt het pianoduo Martijn en Stefan Blaak de Ouverture ‘Egmont’ van Ludwig van Beethoven.

    Hieronder vindt u eerst de algemene verantwoording van Jan Rotop de Nederlandse hertaling, en vervolgens een toelichting op het oorspronkelijke werk van Brahms door Eduard van Hengel.


    Verantwoording op Hollands Requiem door Jan Rot

    “Waar is Mijn Naam ineens?” dacht God.
    “Oh, ‘t is zo’n hertaling van Jan Rot”

    De Nederlandse Mattheuspassie was nog niet opgenomen of ik dacht al met kloppend hart aan Ein deutsches Requiem. Hoewel Brahms met zorg teksten uit de bijbel had gekozen, was het meer een spiritueel dan een religieus gebonden werk. ‘Ein menschliches Requiem’ had hij het willen noemen. Daarbij had Brahms zelf een uitvoering in Londen opgezet met twee piano’s en een Engelse tekst. Een versie in eigentijds Nederlands leek dan ook zeer in de geest van de componist. Brahms schreef geen ‘bede voor het zielenheil van een overledene’, maar een troostrijk werk over de dood. Ook een Hollands requiem is geen begrafenismuziek maar vooral een zangstuk voor de overlevenden, de achterblijvers. Ik heb me laten leiden door de muziek, de structuur en de sfeer. Bijna nergens is de tekst letterlijk. ‘Want alle vlees, het is als gras, en alle heerlijkheid der mensen is als het gras haar bloemen,’ het past en het is zingbaar, maar mij doet het niets, het voegt niets toe. Dus zijn de lieflijke woningen van Herr Zebaoth, de Heer der Heerscharen, verplaatst naar onze harten, waar de doden voortleven. En de bazuin van het laatste oordeel en de eindoverwinning op de dood, klinkt nu op kleinere schaal: terwijl hier iemand sterft, komt elders een kind ter wereld. Natuurlijk is de structuur nog hetzelfde, als de zevenarmige kandelaar. Lied IV in het midden, II en III spiegelen V en VI. Het laatste woord van VII is weer het eerste van I, als symbool van de kringloop.

    I - De achterblijvers worden aangemoedigd diep te gaan, en met de tranen de leegte vullen. Want pas wie de dood van nabij heeft meegemaakt, weet wat leven is en kan leren leven met de dood.

    II - We zien de kist, begeleid door een dodenmars. Het koor bezingt de rauwe realiteit hoe een leven wordt weggemaaid. Eerst berustend, dan opstandig. Het intermezzo voorspelt hoe met het verstrijken van de seizoenen, pijn en woede weg zullen ebben, maar het is een schrale troost en het koor valt terug in de mars, nu met het beeld van de mensheid als een eeuwenoude boom, die ook volgend jaar in bloei staat, maar zonder de bladeren van nu. Ook hier voelt de herhaling als protest, maar dan neemt het stuk een triomfantelijke wending, weg van het verval. Want iemands einde, het levenloze lichaam in de kist is niet wat ons zal bijblijven. De vreugde iemand te hebben gekend, zal winnen van het verdriet diegene te hebben verloren. Vrede.

    III - De bariton maakt zich zorgen over zijn eigen sterfelijkheid. Hij mist het vooruitzicht van mensen die geloven in een hiernamaals. En stel dat je te jong wegvalt! Maar ook al wacht alleen het grote niets, het besef onderdeel te zijn van de geschiedenis, de menselijke geest is toch iets wat groter is dan wijzelf, en waarom zou je met een al te cynische kijk– dood en doem – aan dat spirituele idee afbreuk doen.

    IV - ‘In liefdevolle herinnering’ lees je op vele graven, en die geruststellende gedachte is het symmetrische hart van het Requiem. Onze harten als het paradijs waar de doden wonen in hun mooiste herinnering. “Het Koninkrijk is in u lieden,” heb ik altijd de mooiste zin van Jezus gevonden.

    V - Het is of wij getuige zijn van een sterfgeval, iemand wordt weggenomen. Maar het is niet Magere Hein, het geraamte met de zeis, dat ons toezingt, maar de dood als een zachte verlosser, Moeder Aarde, die zich op een dag ook over ons zal ontfermen. ‘Ik zal u zeker weerzien,’ zingt de sopraan. “Ik zal u als een moeder troosten,” verzekert het koor. En zelfs voor de bariton van III klinkt de ‘eeuwige vrede’ dan niet meer als bedreiging.

    VI - Deel VI correspondeert met deel II. De dood is een desillusie beaamt de bariton het eerder bezongen lijk bekranst met bloemen. Maar elk einde is een nieuw begin. Het leven gaat letterlijk door, en wat stelt de dood in wezen voor zolang er steeds nieuw leven komt. Met de dood sterft ook de angst voor de dood. In een drama op toneel valt na de dood van de hoofdpersoon het doek, maar in het echte leven is er onmiddellijk weer het feest van een geboorte elders. De spetterende fuga aan het slot geeft de achterblijvers de moed om door te gaan. Geloof in hoop en liefde en kracht. Geen dood zonder leven, en geen leven zonder dood.

    VII - ‘Levend zijn...’ begint het koor, net als in I, maar nu zonder aarzeling. Want de conclusie is getrokken: Levend zijn de doden, aan wie wij blijven denken. Elk stuk vraagt zijn eigen werkwijze, en ditmaal proefde ik een nieuwe regel steeds door op een meersporenrecorder zelf alle koorpartijen in te zingen, zo goed en zo kwaad als het ging. Tegenover mijn bureau had ik foto’s aan de muur gehangen van mensen die er niet meer zijn, mijn ouders op verlovingsreis, lachende vrienden, tijdloze en vergeten beroemdheden, een onbekende soldaat. En het was of de muziek ze tot leven bracht, of ik ze via de noten aan kon raken. Nog steeds, bij een onverhoedse blik op de partituur schiet ik vol. “Het komt in het Nederlands zo dichtbij,” snifte ik eens tegen mijn vrouw, toen ze bezorgd polshoogte kwam nemen. Ik hoop intens dat velen zoiets zullen ervaren en dat Een Hollands Requiem een eigen plaats verovert naast het onvolprezen Duitse meesterwerk.

    Jan Rot, Ossendrecht, augustus 2007 Met dank aan Philharmonisch Koor Toonkunst Rotterdam Johannes Brahms, “Een Hollands Requiem” (c) jan rot


    Johannes Brahms (1833-1897) - Ein Deutsches Requiem (1868)

    De titel van Brahms’ Deutsches Requiem is misleidend. De tekst is weliswaar Duits, maar is het ook een Requiem? In elk geval niet in zoverre de tekst geen vertaling is van de Latijnse Requiem-mis, de Missa pro defunctis. In het negentiende-eeuwse Duitsland bestond een tendens, en niet alleen binnen het protestantisme, om eerbiedwaardige oude teksten die de katholieke kerk nog gebruikte, in Duitse vertaling of herdichting op muziek te zetten, getuige een Duitse versie van Mozarts Requiem of Schuberts Deutsche Messe. Die traditie volgde Brahms niet; hij refereerde meer aan Schütz’ zeventiende-eeuwse Musikalische Exequien (‘Teutsche Begräbnis-Missa’,1736), een poging tot een protestants equivalent van de Latijnse dodenmis waartoe de beoogde overledene, Prins Heinrich Posthumus von Reuss zelf een aantal bijbelteksten had geselecteerd. Ook Brahms selecteerde teksten uit het Oude en Nieuwe testament en uit apocriefe boeken die in zijn Luthervertaling voorkwamen (alleen het ‘Selig sind die Toten’ treffen we ook bij Schütz aan), maar het was niet zijn bedoeling om liturgische muziek te schrijven; hij schreef een religieus werk voor de concertzaal, en plaatste zich daarmee in de traditie van Handels Messiah en Beethovens Missa Solemnis. Belangrijker nog is dat Brahms’ Requiem niet speciaal bedoeld is voor perioden of gelegenheden van dood, rouw, sterven en begraven. Dit Requiem is niet zoals de Requiem-mis een bede voor het zieleheil van een overledene, maar troostmuziek voor allen die geliefden te betreuren hebben en bezorgd zijn om de eindigheid van hun eigen bestaan. Het is een hooglied van de troost. Hier vinden we geen ’Dies Irae‘, geen hel en verdoemenis, geen bedreigende apocalyptische perspectieven, maar bemoediging voor treurenden en twijfelenden op basis van een bevrijdend en troostrijk vertrouwen in Gods onvoorwaardelijke liefde, en een verzoening met de dood. En ten slotte: Brahms’ Requiem ‘nach Worten der Heiligen Schrift’ is geen specifiek protestantse of zelfs maar christelijke muziek. Christus, zonde en kruis mankeren in de tekst, evenals alle andere dogmatische noties. Hoewel Brahms kerkelijk en met de bijbel was opgevoed had hij zich ontwikkeld tot een religieus maar niet confessioneel geïnteresseerde vrijdenker die toch geen dag buiten de bijbel kon, maar zijn Requiem zag als een humanistische lijdensmeditatie. Het woord ‘deutsches’ verklaarde Brahms - die ook zeker niet voor een nationalist wilde worden aangezien - graag te willen inwisselen voor ‘menschliches’. De bijbel las hij als inspirerende poëtische literatuur, niet als theologisch document. Dat de woorden ‘von nun an’ (deel VII) naar Christus’ dood verwijzen neemt hij voor lief, zonder daar verder op in te gaan.

    Ontstaan

    Het monumentale Deutsches Requiem beleefde zijn première op Goede Vrijdag 10 april 1868 in de Dom van het Noordduitse Bremen, onder leiding van Brahms zelf. Met zijn lengte van zeventig minuten was het - op dat moment - Brahms’ langste compositie, en dat zou het blijven, ook na zijn latere grote symfonieën. En het bleek zijn ‘meesterstuk’ te zijn, de afronding van lange en moeizame leerjaren waarmee de 35-jarige Brahms, die tot dan toe slechts beperkte bekendheid genoot als klavierleeuw, koordirigent en componist van vocale en kamermuziek, in één klap zijn naam vestigde in de Europese muziekwereld. En waarmee bewaarheid werd wat zijn mentor Robert Schumann al in 1853 over de toen 20-jarige Brahms formuleerde: dat we hier met een groot en veelbelovend talent te doen hebben. Dat Schumann al in zijn Projektbuch het ontwerp voor een ‘deutsches Requiem’ noteerde wist Brahms trouwens nog niet toen hij het componeerde. Schumanns dood in een inrichting (1856), twee jaar na zijn zelfmoordpoging in de Rijn, heeft Brahms sterk aangegrepen, en mede tot het Deutsches Requiem geïnspireerd. In 1861 blijkt hij de teksten al verzameld te hebben, maar de compositie komt pas echt op gang na de dood van zijn moeder in 1865. Twee jaar later is het werk gereed, maar in het katholieke Wenen volstaat men - tijdens een Schubert-herdenking op 1 december 1867 - met een uitvoering van de eerste drie delen, uit angst het publiek te overbelasten met het werk van deze zwaartillende Noordduitser; het stuk wordt op gejoel en gesis onthaald, zonder dat Brahms daarvan erg onder de indruk is. Na de pauze wordt Rosamunde van Schubert gespeeld. De Goede-Vrijdaguitvoering in Bremen, voor een publiek van 2500 personen, wordt daarentegen een groot succes, en moet drie weken later worden herhaald. Het Deutsches Requiem omvat dan trouwens nog maar zes delen en heeft alleen een baritonsolist; het latere deel V, met de sopraansolo, ontbreekt nog. Aan de uitvoering gaat bovendien een discussie met het kerkbestuur vooraf, dat het ontbreken van Christus’ kruisdood in het stuk onaanvaardbaar acht; na deel III wordt het stuk daarom onderbroken voor een uitvoering van de sopraanaria ‘Ich weiss daß mein Erlöser lebt’ uit Handels Messiah. Wellicht dat deze sopraansolo Brahms inspireerde tot zijn toevoeging ‘In Gedanken an die Mutter’, waarmee hij niet alleen een vrouwelijke solist introduceerde maar ook de hele architectuur in evenwicht bracht. Brahms draagt het werk op aan de nagedachtenis van zijn moeder en Robert Schumann. 18 februari 1869 wordt in het Leipziger Gewandhaus o.l.v. Carl Reinecke voor het eerst de definitieve versie uitgevoerd. De volgende tien jaren wordt het stuk in Europa zeker honderd keer uitgevoerd. Het zevendelige Deutsches Requiem is fraai symmetrisch opgebouwd rond het vierde deel, een idyllische schets van het Koninkrijk Gods. De hoekdelen I en VII, twee zaligsprekingen, verwijzen naar elkaar, in tekst, muziek en sfeer: ’Selig sind die da Leid tragen‘, respectievelijk ‘Selig sind die Toten’. Het verstilde middendeel wordt geflankeerd door twee delen (III en V) waarin telkens één solist optreedt; de bariton treedt ook op in deel VI maar in een veel ondergeschikter rol. De delen III en V hebben met elkaar gemeen dat zij vanuit het perspectief van de individuele mens zijn gedacht, de delen II en VI zijn daartegenover algemener van aard, het zijn de meest dramatische delen, met grote contrasten tussen pijn en vreugde, lijden en troost; zij eindigen beide met eclatante, jubelende fuga’s waarin de romanticus, de classicus en de Bachbewonderaar in Brahms elkaar de hand reiken. Dit formeel symmetrische karakter staat trouwens een doorgaande, vooruitwijzende dynamiek niet in de weg: terwijl de eerste delen ‘s mensen vergankelijkheid behandelen, openen de laatste delen het troostvolle uitzicht op eeuwig leven. De ’Seligkeit‘ c.q. benijdenswaardigheid van de doden uit deel VII vormt de troost voor de lijdenden uit deel I.

    Londense versie

    De oorspronkelijke versie van het Deutsches Requiem vergt een enorme orkestbezetting: behalve strijkers en dubbel bezette fluiten, hobo’s, klarinetten, trompetten en fagotten zijn er vier hoorns voorgeschreven, drie trombones, een tuba, een contrafagot, een harp, pauken en ad libitum een orgel. Maar reeds in januari 1869 voltooide Brahms op verzoek van zijn uitgever een versie waarin het orkest is vervangen door piano à quatre mains. Deze versie beleefde zijn première in London, op 10 juli 1871 en heet daarom sindsdien de ‘Londense versie’; daarin werd overigens ook een Engelse tekst gebruikt. Deze reductie tot kamermuzikale proporties door de componist zelf is niet verbazend. Er bestond in de burgerlijke salons van de negentiende eeuw een grote behoefte aan quatre-mainsversies van symfonisch werk; zo’n versie versnelde de verspreiding en vergrootte de bekendheid ervan. Daar komt bij dat Brahms toch al vanuit de piano dacht en componeerde. Niet alleen was het tweede deel van zijn Requiem aanvankelijk ontstaan als sonate voor twee piano’s, diverse andere van zijn orkestwerken (zoals de Hongaarse dansen en de Haydn-variaties) zijn oorspronkelijk voor twee pianisten geschreven en pas later georkestreerd. De pianoversie is daardoor geen bleek aftreksel van het origineel maar een zelfstandige, meer intieme compositie waarin de tekst en het koor prominenter zijn, de polyfone vocale lijnen helderder en de harmonieën herkenbaarder worden. De tekstexpressie en de religieuze betekenis komen daardoor beter tot hun recht.

     © Eduard van Hengel, 2005 Deze (en andere) toelichtingen kunnen vrijelijk worden gedownload van mijn website http://www.xs4all.nl/~eduardvh/; zij mogen worden vermenigvuldigd en eventueel tegen kostprijs verkocht. Het auteursrecht blijft evenwel bij mij